Antwoorden boek 1 - deel 2

  1. De Price Oscillator Percent geeft het procentuele verschil weer tussen twee voortschrijdende gemiddelden. 
    Omwille van het procentuele verschil worden de aandelen gelijk behandeld. Dit is handig bij het filteren naar bepaalde titels.
  2. CCI/Mass Idx/MACD/PFE/POSC/QStick/Trend Score/Trix/Vidya
  3. Aankoopsigalen - bij een langzaam stijgende koerstrend:
    Mag u kopen vanaf het ogenblik dat de RSI in de koopzone (<30) komt.
    Wachten op ombuiging van RSI geeft meer zekerheid. Een sterk aankoopsignaal na divergentie.

    Aankoopsigalen - bij een sterk stijgende koerstrend:
    Vlugger kopen.
    Wanneer RSI door de steunlijn van zijn stijgend kanaal zakt, dan stelt u de aankoop uit tot er meer duidelijkheid is.  
  4. Fast (10,3)
    %K over een periode van 10 dagen met een %D = 3 SMA(%K)

    Slow (10,3)
    %K=3 SMA (%K’Fast’ over een periode van 10d) en %D=3SMA(%K)

    Full (10,5,3)
    %K=5 SMA (%K’Fast’ over een periode van 10d) en %D=3SMA(%K)

    Slow is de ‘trigger’ van de Fast.
    Bij Full kunnen de drie parameters ingesteld worden. Bij de Slow is parameter van beide  gemiddelden gelijk.
  5. Aankoop
    Convergentie tussen een dalende koerstrend en een stijgende OBV-trend.
    Een stijgende rechthoek- of driehoekformatie in de OBV.
    Positieve uitbraak van de OBV uit een dalend trendkanaal, rechthoek- of driehoeksformatie.
    Positieve snijding met zijn glijdend gemiddelde. Vergelijk dit met de lijngrafiek.
    Verkoop
    Divergentie tussen een stijgende koerstrend en een dalende OBV-trend.
    Negatieve uitbraak van de OBV uit een stijgend trendkanaal, rechthoek of dalende driehoeksformatie.
    Negatieve snijding met zijn glijdend gemiddelde. (Vergelijk lijngrafiek)
  6. De PVT houdt rekening met de grootte van de koerswijziging en dus niet alleen met de verhandelde volumes. 
  7. Beursdagen waarvan het volume kleiner is dan het volume van de vorige dag
  8. Ja en Neen. 
    Neen, omdat dit betekent dat de kleine belegger meestal duurder aankoop want er is geen interesse in het aandeel.
    Ja, wanneer hij kennis heeft van de NVI.
  9. Bollinger Band With en %b
  10. De RSI maakt gebruik van de gemiddelde verandering van de koers.
    De RVI maakt gebruik van de standaarddeviatie van de koers over x periode.
  11. RSI meet de snelheid en de richting van de verandering van één aandeel.
    RS wordt de relatieve sterkte gemeten/bekeken. Vaak is dit een aandeel t.o.v. een index.
    Een aandeel kan relatief sterker presteren dan de index maar toch een lage RSI hebben.
  12. 2 of meer prestatiegrafieken worden gebruikt.
  13. 1. Periode / 2. Richting / 3. Relatie tussen bodems en toppen
  14. Compare AB vergelijkt de prestatie van verschillende titels met elkaar.
    Compare Performance berekent eerst de ratio tussen de prestatie van aandeel x  en een index y.
    Bij Compare Performance betekent een waarde hoger dan 100 dat het aandeel beter presteert dan de referentie. Dit wil niet zeggen dat resultaat positief is.
    Bij Compare Performance wordt de referentie niet getoond. Dit levert tijdwinst. Echter analyseren op basis van toppen/bodems is moeilijker
  15. Neen. De referentiewaarde kan procentueel feller gedaald zijn dan de ratio tussen titel en de referentie.
  16. Oefeningen
  17. Een plotse stijging/daling in het OBV (=vlaggestok) mag worden genegeerd.
    Zeker indien er geen grote reactie is in de koersgrafiek.
    Dit is dan meestal een transactie tussen 2 institutionele partijen.
    Bij een PVI of PVT zal dit minder nadrukkelijk aanwezig zijn.
  18. Voorlopend: -Indicator bevindt zich in sterk overkocht/oververkocht gebied en keert
    Divergentie

    Nalopend:-Referentielijn te gebruiken (0-lijn/50-lijn) en indicator breekt door deze lijn
    -Indicator noteert boven/onder de referentielijn
  19. en volgende zijn oefeningen.
Beantwoordt dit aan uw vraag Van harte voor uw feedback Er was een probleem tijdens het versturen van feedback

Nog hulp nodig? Ons contacteren Ons contacteren